MAFfe edities, nieuwtjes, verslagen, ...

MAF DAS KAPITAL: tekst door Wouter Hillaert

We zijn rijk, we hebben alleen geen geld

Wouter Hillaert

Het zesde Mestizo Arts Festival (MAF), het tien dagen durende podiumfestival waarmee de Arenbergschouwburg in samenwerking met Fiëbre vzw elk jaar de diverse stad binnen zijn muren haalt, vaart onder de vlag ‘Das Kapital’. Marxisme revisited? Nee, veeleer een andere manier van kijken naar de dingen. ‘Kapitaal’ biedt een nieuw denkkader rond de winst van kunst en cultuur.

Wie de debatten in Vlaanderen Cultuurland een beetje volgt, krijgt de indruk dat er van heel veel te weinig is. Te weinig speelplekken, te weinig divers publiek, te weinig persaandacht, te weinig visie bij het beleid, te weinig straffe voorstellingen, te weinig dialoog, en bovenal: te weinig subsidies. Als je die debatten voor waar zou nemen, is het net geen woestijn waarin we theater maken en bekijken. We denken en spreken zo graag vanuit het tekort.

En als we eens zouden denken vanuit meerwaarde? Vanuit onze (potentiële) sterkte? Vanuit de mogelijkheden waarover we wel al beschikken, of die we spontaan kunnen aanspreken? Precies dat is ‘kapitaal’: het eigen vermogen van kunstenaars en organisaties om surplus te creëren. Het is een van de zonden van deze tijd dat we dit ‘kapitaal’ meteen en uitsluitend economisch begrijpen: kapitaal = geld. Maar zo hoeft het niet te zijn.

Vanuit de theorie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu vallen er vier vormen van kapitaal te onderscheiden: sociaal kapitaal (je netwerk van vrienden, familie en kennissen), cultureel kapitaal (je culturele achtergrond en kennis van kunst en cultuur), symbolisch kapitaal (hoe hoog je verdiensten worden ingeschat binnen een bepaald veld) en financieel kapitaal (het geld waarover je beschikt). Die uitsplitsing helpt de eurotekens in onze ogen nuanceren. Mensen met veel sociaal kapitaal kunnen ‘rijker’ zijn dan mensen met veel geld. Mensen zonder geld vermogen soms meer op basis van hun symbolisch kapitaal. Dat is bijvoorbeeld het geval voor nogal wat kunstenaars: zij zijn vermogend omdat ze hoog in aanzien staan.

De werking van al dat kapitaal is niet onschuldig, heeft Bourdieu aangetoond. Kapitaal is een geheel aan troeven binnen het grote pokerspel van machtsrelaties dat in elk maatschappelijk veld wordt gespeeld. Neem de kunsten. ‘Ertoe doen’ in de kunstwereld doe je niet alleen met veel subsidies. Ook internationale uitstraling, eventuele prijzen, verbintenissen met grote huizen en aanzien bij de pers zijn belangrijke credits. Er gelden bepaalde, vaak onuitgesproken normen voor wat je kapitaal oplevert – en niet enkel artistieke.

Niemand die deze normen beter kent dan kunstenaars met een diverse culturele achtergrond. Als er over hen wordt gezegd ‘dat ze nog niet goed genoeg zijn’, ‘dat het niet duidelijk is – of net veel te duidelijk – wat ze precies willen vertellen’, ‘dat ze niet goed acteren’, dan worden ze de facto aan een zelden geëxpliciteerde ‘Vlaamse’ set aan zulke normen getoetst.

Voor cultuurminister Joke Schauvliege is interculturaliteit een belangrijk streefdoel, maar bij de laatste subsidieronde werd duidelijk dat alle gezelschappen en theaterhuizen die er ook daadwerkelijk mee bezig zijn, van de Beoordelingscommissie Theater een sceptisch rapport kregen, wegens ‘artistiek te wisselvallig’. Interculturaliteit heeft in de kunstenwereld nog altijd weinig symbolisch kapitaal. Intercultureel bezig zijn of intensief werken met de stad wordt niet gezien als ‘vernieuwend’, een norm van kapitaal belang.

En zo zijn we weer bij af: bij het denken vanuit het tekort, het gebrek. Zoals op vele andere domeinen in Vlaanderen worden mensen met ‘een rare achternaam’ ook in de kunsten meer dan nodig getaxeerd op hun afkomst, op hun vermeende ‘te weinig Vlaams zijn’. Hoe keer je dat om? Hoe die beperkende blik reframen?

‘Kapitaal’ – verzamelde verworvenheden in plaats van tekorten – is zo’n andere bril. Kapitaal helpt kijken naar wat (alle) makers en organisaties te bieden hebben, niet naar wat ze missen. Het helpt hen uitgaan van hun sterkte. En dat niet alleen. ‘Kapitaal’ prikkelt een breder denken over waarde. Geld is maar één soort waarde. Er zijn er veel meer waarmee in onze vermeende woestijn een oase aan te boren valt. Een overzicht in vier casussen, bij wijze van presentatie van een paar artiesten die dit jaar op MAF staan…

1. Sociaal kapitaal: coproduceren met je publiek

Sociaal kapitaal is de meerwaarde die mensen halen uit hun netwerk. Een vriend die gratis draait op je feestje: sociaal kapitaal. Contacten via je ouders: sociaal kapitaal. Een neef die je uitlegt hoe je filmpjes maakt met Final Cut Pro: sociaal kapitaal. In een liberale samenleving waarin ook de kunst steevast vertrekt van de individuele noodzaak van de maker, zien we zo’n netwerk graag in functie van ons eigen voordeel. Maar het kan ook anders…

Benjamin Vandewalle is danser-choreograaf, met het hoogst denkbare symbolische kapitaal: hij studeerde, na de balletschool en een jaar moderne dans in Amsterdam, af aan P.A.R.T.S, de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Aan de weg timmeren doe je natuurlijk niet alleen met een hoog gewaardeerd diploma. Vandewalle werd opgepikt door Monty en STUK, kreeg steun bij BUDA en won zo aan overtuigingskracht bij de Beoordelingscommissie Dans. Tussenin was hij ook een half jaar aan de slag in Zuid-Afrika, waar hij in de townships van Soweto een garbage snake creëerde met lokale dansers: al dansend de straten opruimen. Voor dat project haalde hij bij vrienden en contacten in België 3000 € op.

Datzelfde idee – je contacten aanspreken om mee je artistieke plannen te helpen realiseren – ligt ook aan de basis van Vandewalles nieuwe project: de solo Coproductie. ‘Alles begon als een reactie tegen Joke Schauvlieges bevriezing van de subsidiepot voor jonge projecten. Ik ben dan spontaan gaan nadenken over alternatieven. Dat was het moment dat Einstürzende Neubauten net als eerste band een cd had opgenomen met de steun van hun fans. Mijn basisidee was gelijkaardig: spreek mensen aan om een klein bedrag in je werk te stoppen, en betrek hen bij wat je doet. Een testcase, zeg maar. Hoe kan je rond je projecten meer sociaal kapitaal aanspreken en van daaruit alternatieve middelen werven? Ook het inhoudelijke aspect daarvan interesseerde me. Zoals mijn werk altijd gaat om mechanismen van waarnemen, vroeg ik me nu af hoe een publiek eigenlijk naar mijn werk keek.’

Vandewalle zocht dertig mensen die 25 € à 50 € wilden investeren, in ruil voor een inkijk in zijn repetitieproces. Hij werkte dan telkens een halve dag in de studio, nam iets op, en vroeg zijn steungevers om via audio-opnamen feedback te geven. ‘Wat zie je juist?’ Dat commentaar speelde hij dan voor zichzelf af tijdens zijn opwarming, zodat het zijn improvisaties inspireerde. Zijn opzet was: potentiële toeschouwers aanspreken op hun expertise als kijker, en samen de voorstelling creëren, letterlijk in ‘coproductie’. Vandewalle verbreedde zijn peergroup van collega-dansers tot een nieuw publiek, waaronder studenten die hij aansprak na een van zijn voorstellingen in STUK. Hij genereerde zo meer sociaal kapitaal en meer draagkracht. ‘Alleen mijn ouders heb ik niet toegelaten. Zij hebben mij al veel te vaak gesponsord.’

Tussen droom en daad blijken in de praktijk wel een paar drempels te staan. ‘Slechts twee, drie toeschouwers stuurden feedback terug. Ik heb ook veel tijd en energie verspild aan de oproepen en de communicatie rond het project. Het blijkt dus iets van lange adem. Maar ik blijf geloven in de meerwaarde van deze aanpak. Mensen tonen zich toch wel oprecht geïnteresseerd, en zullen sneller naar je werk komen kijken. Zeker voor mijzelf is het erg verhelderend. Nogal wat mensen blijken van dans gewoon een aangename avond te verlangen, waarbij ze kunnen ontspannen en hun werk vergeten. Sommige bewegingen vinden ze ‘raar’. Het doet je anders nadenken over artistiek snobisme.’

Financieel maakt de inbreng van Vandewalles investeerders uiteindelijk niet zoveel verschil. Met 1000 € spring je nu eenmaal niet ver. Ook voor Birdwatching 4×4, de rijdende productie waarmee de choreograaf op MAF staat, werkte Vandewalle met beperkte middelen. ‘Op zich was 18.000 € niet weinig, maar dat bedrag ging bijna helemaal op aan het vervaardigen van de houten box op wielen van waaruit het publiek de werkelijkheid bekijkt als een film. Tegelijk heb ik daarnaast veel alternatieve steun gekregen: Scheld’apen leverde de profielen voor het onderstel, in Dommelhof heeft drie man een maand aan de box gewerkt, en de karretjes vond ik tweedehands. Zelf werkte ik drie maand gratis, en ik werkte met P.A.R.T.S-studenten in plaats van professionele dansers. Ook dat is sociaal kapitaal. Schaarse middelen openen je ogen voor andere soorten baten. Birdwatching 4×4 draait nu ontzettend goed, het project verhoogde mijn symbolisch kapitaal en zorgde voor een hechtere band met het Kaaitheater.‘

Ook voor Coproductie is de return bijzonder, zegt Vandewalle. ‘Normaal is er niets zo erg als repeteren voor een solo, omdat je alleen in de studio zit, maar hier heb ik toch het gevoel dat er een dialoog is. Ik droom ervan om alle betrokkenen in de credits van de voorstelling mee te vermelden als coproducenten: Kaaitheater, CAMPO, … en dan heel veel gewone namen. Dat voelt speciaal, al dat sociaal kapitaal.’

Ook SIN, het Antwerpse theatercollectief van Ikram Aoulad, Nadia Benabdessamad, Junior Mthombeni, Fikry El Azzouzi en Cynthia Schenkels, heeft bewust gekozen om rond elke productie een groep van actieve pottenkijkers te verzamelen. Het gaat hier niet om dramaturgen, critici of programmatoren, de usual suspects van de repetitiezaal. Wel om een 15-tal schoolgaande Antwerpse jongeren van allerlei slag: een hele waaier van gasten met Afrikaanse, Oost-Europese en Belgische roots.

‘Zij zijn ons dramaturgisch testpubliek’, aldus Junior Mthombeni. ‘Op geregelde tijdstippen toetsen we onze scènes aan hun realiteit en hun belevingswereld, en daar hebben we dan gesprekken over. Welke verhalen kennen ze? Wat speelt zich in de getto’s af? Hoe vermijden we de karikatuur? Dat materiaal hebben we voor onze eerste productie H&G mee verwerkt in de voorstelling, zonder onze eigen ideeën echt aan te passen. Die input is erg belangrijk voor ons. Het is een winst in ons maakproces.’

Merk de woordkeuze: ‘winst’. SIN beschouwt zijn jongeren niet als loslopend allochtoon wild dat beter geïntegreerd zal raken als het opgekrikt wordt tot de kunsten – een discours dat je wel eens hoorde bij Antwerpse politici in de cultuurdebatten voor de gemeenteraadsverkiezingen. Nee, SIN ziet het omgekeerd. ‘Zij bewijzen ons een dienst, en wij gaan ook naar hen kijken. Meerdere van hen zijn zelf getalenteerde kunstenaars, en dus allesbehalve jongeren die wij moeten vormen. Zij zuigen vrienden aan die mee komen kijken naar de voorstelling en zo het draagvlak voor SIN vergroten. Binnen dit en tien jaar kunnen zij SIN misschien overnemen. Dat is onze droom.’ Het is de droom van het ware sociale kapitaal: via een uitbreiding van je netwerk je vermogen oppompen voor de toekomst.

In de komende productie van SIN, Troost, treden met Coely Mbueno en NoMoBS een paar van de betrokken jongeren zelfs mee op scène.

‘Met SIN willen we nieuwe vormen en inspiraties aanboren, en stadsverhalen vertellen vanuit een ander perspectief’, aldus Mthombeni. ‘Ik zie in Vlaanderen niet meteen andere gezelschappen waarmee we op dat vlak kunnen worden vergeleken. Zelf beschouwen we Spike Lee als een voorbeeld voor wat we doen.’

Die keuze om jong en divers Antwerpen zo nauw te betrekken bij het maakproces, is volgens Nadia Benabdessamad gewoon een logische consequentie van de identiteit van SIN als gezelschap. ‘We zijn gepassioneerd door de eigen stad en willen er daadwerkelijk mee aan bouwen, dat is de baseline. We staan aan de vooravond van een verjonging en een verkleuring in alle steden, daar moeten we onze deuren wagenwijd voor open zetten. Bij traditionele cultuurhuizen is dat vaak nog een gemiste kans. Soms zie ik wel voorstellingen die inhaken op mijn eigen referentiekader, maar heel vaak zit ik het maar wat aan te kijken. Intussen gebeuren aan de basis heel waardevolle dingen, waar soms ostentatief van weggekeken wordt. Hiphop geldt nog steeds als iets marginaals, of als ‘Amerikaans gedoe’. Wij zien hiphop, of toch bij deze jongeren, als een volwaardige kunstvorm, als een bron van competenties. Het is de kunstvorm voor morgen, waar we oprecht ruimte voor moeten vrijmaken. Formaliseer die niet-erkende artistieke competenties! Sussend zeggen dat het maar ‘sociaal-artistiek’ is, voldoet niet langer. Bij elke jongere die ik zo zie uitpakken, denk ik: yes, goeie beeldvorming!’

Het sociaal kapitaal dat SIN en Benjamin Vandewalle aanspreken, is geen zaak van debet en credit. Met hun bevoorrecht publiek, tegelijk hun coproducenten, zetten ze fundamenteel in op wederzijdse uitwisseling. Dat is ook de enige manier waarop sociaal kapitaal kan renderen: binnen een win-winoperatie. Netwerken lukt slechts als het om tweerichtingsverkeer gaat. Dan pas gaat het renderen, als alternatief voor individuele subsidiëring, betaalde diensten of dure communicatiecampagnes. Sociaal kapitaal kost nauwelijks geld, maar is goud waard.

2. Cultureel kapitaal: een succesvolle risico-investering

Cultureel kapitaal is wat je gratis meekrijgt door ergens ter wereld op te groeien, aangevuld met wat je zelf aan culturele ervaringen of artistieke inzichten verwerft. Je studies: cultureel kapitaal. De boeken en de films die je achter de kiezen hebt: cultureel kapitaal. Hoe je graffiti leerde spuiten op straat: cultureel kapitaal. Het is geen vast vermogen, maar een rollend fonds: steeds nieuwe input komt erbij, om zich te vermengen met het cultureel kapitaal dat je al had. Cultureel kapitaal is dus niet zomaar ‘zijn/haar cultuur’, laat staan ‘zijn/haar identiteit’. Het gaat om gemengde financiering. Cultureel kapitaal beweegt.

Toen Gerardo Salinas, de motor achter MAF, in 2001 vanuit Argentinië in Antwerpen kwam wonen, leek hij zoals elke inwijkeling vooral veel te ontbreken: een sterk netwerk, kennis van de taal, een goed begrip van de elementaire omgangsregels in Vlaanderen, … Maar zelf bekijkt hij het anders. ‘Omdat ik in een heel andere realiteit heb gefunctioneerd, heb ik juist een rijker palet. Zo heb ik in Argentinië geleerd om culturele projecten op te zetten binnen een context die veel minder gestructureerd is dan in Vlaanderen. Subsidies zijn er niet. Bij alles wat je daar wil opzetten, moet je lateraal denken: buiten de grenzen, samen met andere mensen. Creatief zijn wil daar zeggen: overleggen. Mijn cultureel kapitaal is dus dat ik van nature breder denk dan de cultuurtempel. Het is een ervaring in over drempels gaan, zonder beschikking over middelen of infrastructuur. Van een gebrek maak je een winst.’

De twee grootste projecten die Salinas in Vlaanderen in het leven geroepen heeft, bouwen op dat cultureel kapitaal. Allereerst zijn er de murga’s, groepjes mensen die op geregelde tijden de straat opluisteren met dansante, kleurrijke, muzikale optochten. ‘Argentijnse culturele import’, grinnikt Salinas. ‘Daar ontstond murga ooit bij de migranten in Argentinië, vanuit de gedeelde ervaring van hun nieuwe woonplek. Die situatie, zoals die van mijn grootouders uit Galicië en Sicilië, lijkt erg op Antwerpen vandaag. Alleen plooien mensen hier meer terug op elkaar. Ze sluiten zich meer af. In Argentinië gingen ze met elkaar de liefde voor hun nieuwe plek vieren, los van hun afkomst. Dat inspireerde mij voor de murga’s in Vlaanderen.’

Ook het MAF bouwt op de fundamenten van Salinas’ culturele kapitaal. Niet alleen de idee van ‘de mestizo’ (de gemixte mens) is Argentijns. Ook het stedelijk festival dat MAF in de eerste plaats wil zijn – veeleer dan een kleurrijk multiculti-gebeuren – heeft veel met Buenos Aires te maken. ‘In die gigantische grootstad zijn meerdere culturen vanzelfsprekend, terwijl daar in Vlaanderen eerder een traumatische ervaring rond bestaat. ‘Onveiligheid’ lijkt hier een verschrikkelijk probleem, terwijl het gewoon om een natuurlijke situatie in elke grootstad gaat. Hoe we omgaan met de positieve en de negatieve aspecten van stedelijkheid, in de gedeelde ruimte die elke stad is, daar wil MAF een culturele touch aan geven.’

Gerardo Salinas zelf voelt zich intussen Antwerpenaar en Argentijn en Siciliaan en Spanjaard. ‘Het is plus-plus-plus.’ In een vorig leven was hij hoofdredacteur van een politiek-economisch tijdschrift in Buenos Aires, terwijl hij ook voltijds letterkunde studeerde. In Antwerpen werd hij cultureel organisator. ‘Een deel van je cultureel kapitaal kies je niet, maar een ander deel wel. Sommigen kijken daar eerder dogmatisch naar, willen hun cultuur niet loslaten. Maar je kan haar ook open beleven. Kapitaal kan groeien en veranderen.’

Zo exporteert Salinas nu ook goeie ideeën uit Vlaanderen naar Argentinië, vanuit zijn ervaring met werken voor de overheid. ‘Omgekeerd heb ik het originele Argentijnse idee van de murga ook voor een deel kapot gemaakt net door het hier te introduceren; ik gebruik er enkel nog de spirit van, de invulling is Vlaams. En zo is elk cultureel kapitaal een mix. Een multiculturele samenleving is daar de som van. Sommigen vinden die som oninteressant, ander louter een pittoreske collage. De juiste som vraagt een bepaalde knowhow. Het woord ‘MAF’ is een mooi voorbeeld. Het is niet louter een Latino-idee, het betekent ook hier iets.’

Alleen is er nog werk aan ‘het symbolisch kapitaal van cultureel kapitaal’, merkt Salinas. ‘Als je iets verkoopt onder de noemer ‘multicultureel’, speelt dat eerder tegen dan voor je, zelfs als het objectief om kwaliteit gaat. ‘Het multiculturele’ staat op niemands agenda. Om die weerstand te overwinnen, breng ik liever algemene concepten aan. En toch voel je dat er de afgelopen tien jaar dingen gebeurd zijn. Vroeger was er in de cultuursector misschien meer oprechte interesse, maar bleef het vaak bij woorden. Nu zie je veel meer praktijken, en langzaam winnen die aan symbolisch kapitaal. Sinds Let’s Go Urban met Cinderella op de Zomer Van Antwerpen stond, zijn er meer ogen opengegaan. Ook SIN is bekender geworden door H&G veel te spelen. Het groeit. En de demografische tendensen zullen dat enkel verder versterken.’

Theatermaker Mesut Arslan, tevens oprichter van Kunstenfestival 0090, haalt zijn cultureel kapitaal in oorsprong uit het Turks-Ottomaanse theater. ‘Zelf ben ik, met een Kosovaarse vader en een Macedonische moeder, meer Ottomaans dan Turks. De clash tussen Oost en West zit me als het ware in het bloed, en in de diepte gaat ook mijn theater erover.’ In Kamer en de man, Arslans debuut bij zijn gezelschap Onderhetvel (2005), was dat zeker niet expliciet. Op tekst van Eric De Volder verbeeldden Yves De Pauw en Lotte Heijtenis het hele gevoelspalet dat met een kwetsbare liefde gepaard gaat. Heel Vlaams, zo zag dit theater eruit. Dat is Arslan gek genoeg wel eens verweten, alsof Eric De Volder geen cultureel kapitaal zou kunnen zijn voor een regisseur met Turkse roots. Men vroeg zich af: ontkent Arslan zijn roots? ‘Cultureel kapitaal dat samenvalt met je roots kan artistiek weinig betekenen, omdat het geen gebruik maakt van het geweten. Geweten is in het Westen gelinkt aan ‘denken’ en in het Oosten met ‘voelen’. Dat is dus die clash!’

Arslan voegt dus wel degelijk iets toe, vindt hij. ‘Het theater in Vlaanderen, en misschien wel West-Europese kunst tout court, creëert graag afstand. Gevoelens worden op theater minder en minder aangepakt, of ze worden net genoeg ingezet om de zaal niet te verliezen. Het helder tonen van de tekst staat voorop. Daarom viel een voorstelling als Irakese Geesten van Mokhallad Rasem ook zo op. Ze gebruikt een heel andere ironie, is op heel andere wijze expliciet. Zelf wil ik een publiek niet pushen om alleen maar na te denken, ik probeer een gevoelssfeer te creëren. Mensen één keer iets doen meemaken is vaak meer waard dan ze duizend keer iets vertellen.’

Ook Arslan beschouwt zijn projecten in de eerste plaats als een ontmoeting, een versmelting van divers cultureel kapitaal. Zo is er Kunstenfestival 0090, dat artiesten met Turkse roots in Vlaanderen presenteert. ‘Dat is niet mijn hele verhaal, maar meer een festival dat zich heeft aangepast naar hoe het in Vlaanderen zou moeten zijn. In het begin namen we veel vrijheid, maar steeds meer is Kunstenfestival 0090 zich gaan herdefiniëren naar de economische en artistieke normen en eisen die het wil volgen. Ik hoor nu wel eens de opmerking dat we gewoon westerse kunstenaars met anders geschreven namen presenteerden. Met de culturele betekenis van onze artiesten in Istanbul ben ik dan ook nooit bezig geweest. Het festival hoort tot het land van hedendaagse kunsten. Maar als je een voorstelling ziet van Sahika Tekand, dan tonen zich toch kleine nuances van verschil. Die nuances kan je cultureel kapitaal noemen.’

Als je in de cultuursector een ander cultureel kapitaal wil winnen, zal je toch meer tolerantie en flexibiliteit aan de dag moeten leggen

Arslan vindt die mix een mooi voorstel. ‘We kunnen niet meer terug, we zullen het met elkaar moeten doen: samen creëren, zonder esthetische verplichtingen. Sidi Larbi Cherkaoui doet dat heel goed. Hij maakt mooi gebruik van het diverse kapitaal van zijn dansers, binnen de codes die hier gelden. Zo raakt hij beter voorbij de soms heel oppervlakkige, oriëntalistische kijk in Vlaanderen. Daar is echt nog werk aan. Als je in de cultuursector een ander cultureel kapitaal wil winnen, zal je toch meer tolerantie en flexibiliteit aan de dag moeten leggen. De discussie over kunst moet eerlijker gevoerd worden, boven tafel in plaats van in de coulissen. Hoe kan een huis als ’t ARSENAAL, dat altijd vol zit, niet scoren bij de subsidiebeslissingen? Waarom moeten we heel experimenteel theater steunen als er geen publiek op afkomt? Is de kunst wel echt zo vrij, als ze totaal geen verschil maakt voor hen die minder vrij zijn? Waartoe dient theater van een half miljoen, gemaakt voor mensen die zelfs niet naar theater komen?’

Op MAF presenteert Mesut Arslan een try-out van IJdele Dagen, een voorstelling op tekst van Fikry El Azzouzi, over wat het betekent om in neoliberale tijden illegaal te zijn. ‘Ik begrijp “illegaal” niet enkel in termen van etnische afkomst en geografie. Op een bepaalde manier is iedereen in deze wereld een alien tegenover de rest van de mensheid. Misschien noemen we iemand dan wel illegaal om onszelf het gevoel te geven dat wij legaal zijn?’

Puur cultureel kapitaal bestaat niet, bij niemand. Het is altijd geïnfecteerd, of verrijkt, door heel andere invloeden. Sommigen spelen dat uit, anderen kiezen liever een kameleonstrategie. Maar van die verrijking de winst zien, in plaats van het gebrek, blijft de uitdaging van deze tijd. Ook voor de kunsten.

3. Financieel kapitaal: meerwaarde zonder winst

Financieel kapitaal draait om geld, door Shakespeare in Timon van Athene ooit aangeduid als ‘de gemeenschappelijke hoer van de mensheid’. Geld is de moeder van de concurrentie. Geld is strijd. Geld verdeelt. Althans, met dat inzicht zijn we groot gebracht. Het hoeft niet zo te zijn. Sociaal en financieel kapitaal hoeven geen tegengestelde paren te zijn. In elk geval niet in Argentinië. Samenwerken loont.

Clase Turista is een literaire uitgeverij uit Buenos Aires, in 2005 gestart als een initiatief van drie bevriende schrijvers. Iván Moiseeff en zijn beide collega’s hadden toen lang geprobeerd om hun eigen en ander literair werk gepubliceerd te krijgen, maar zonder veel succes. Sinds de jaren 1990 was de Latijns-Amerikaanse uitgeverswereld immers bijna volledig in handen van grote Spaanse uitgeverijen, die jonge schrijvers uit Spanje veel liever publiceerden dan jonge Latijns-Amerikaanse auteurs. Toen tijdens de grote Argentijnse crisis van 2002 ook veel van die uitgeverijen in zwaar weer terechtkwamen, verviel voor jonge Argentijnse auteurs elke mogelijkheid om breed gelezen te worden.

Moiseeff en co besloten het dan maar zelf te doen. Met Clase Turista moesten en zouden ze een kanaal voor hun eigen stem uit de grond stampen: nieuwe boeken publiceren, jonge auteurs spreiden, boekenbeurzen en workshops organiseren. In 2005 waren ze bij de eersten die in het gat sprongen, maar vandaag bestaan er 300 van zulke uitgeverijtjes. Bijzonder is dat ze niet tegen, maar mét elkaar werken. Coöperatie is het bedrijfsmodel van Clase Turista, maar ook de basishouding van de hele Argentijnse cultuursector. Kapitaal creëer je samen, is in Buenos Aires het geloof. Jezelf versterken doe je niet door de rest de pas af te snijden, maar door samen aan de kar te trekken.

‘Er was één groot probleem: ons gebrek aan geld om boeken te drukken. De oplossing bleek een strategie op onze eigen maat: een fabriekje voor handgemaakte en speciaal vormgegeven boeken op kleine oplage. We investeerden elk een gelijk deel in de coöperatieve, en haalden onze winst uit de verkoop van boeken en evenementen voor culturele beurzen en instellingen die een nieuw literair publiek wilden winnen. Zo combineren we de ‘do it yourself’-filosofie van punk met Latijn-Amerikaanse guerrillaoorlogsvoering: conceptuele planning, minimale resources, maximaal effect. Dat idee zit ook achter de naam Clase Turista: literatuur als een profijtige, maar verrijkende reis.’

Achter die hele onderneming zit voor Moiseeff een andere visie op financieel gewin. ‘Wat Clase Turista doet, is geen statement tegen cultureel kapitalisme, maar wel tegen het geloof dat je enkel dingen mag produceren die economische return opleveren. Voor ons moet financieel kapitaal niet zozeer méér geld opleveren, maar vooral een fijn gevoel en een zekere levensstijl. Daarom kunnen we onszelf zo blijven opladen om te werken voor een project dat geen winst maakt. Als die ervaring van boeken maken en beurzen afreizen een meerwaarde geeft aan het cultuurveld en aan ons eigen leven, dan is dat toch genoeg? Het idee “geld” is een booby trap, omdat het je bij de pakken doet blijven zitten. De eerste stap tegen die passiviteit is in te zien dat sommige kosten niet rendabel zijn, maar wel je leven verrijken. Zoals de grootvader van een vriend het altijd zegt: “we zijn rijk, we hebben alleen geen geld”.’

Voor Europeanen blijft dat als een gemis klinken, maar Moiseeff is volledig overtuigd van de meerwaarde. ‘Het is al vaker voorgevallen dat minder rijke mensen, of zelfs arme mensen, wereldwijde trendsetters worden. Zo zijn populaire trends als de cumbia (van oorsprong Colombiaanse dans, nvdr), met haar specifieke literaire taal, ontstaan in de sloppenwijken. De schat van de not haves is hun creativiteit, hun vermogen om een nieuw soort vermaak uit te vinden, omdat ze niet over de tools beschikken waar de rest van de samenleving toegang toe heeft.’

‘In die zin is Latijns-Amerika een laboratorium voor nieuwe werkschema’s en andere ideeën over winst. Culturele actoren in Argentinië hebben altijd moeten werken zonder die institutionele steun die nieuwe ervaringen soms afblokt of standaardiseert. Eerst gaan ze iets creëren en produceren. De mogelijke vertaling in financieel kapitaal komt pas daarna. In die zin is Latijn-Amerika voor Europa nog steeds wat het 500 jaar geleden al was: een paradijs aan resources. Die zijn niet noodzakelijk economisch van aard, maar wel sociaal en zelfs existentieel. Ze creëren een plek waar vaste denkprocessen uit hun automatisme worden gehaald, met vele nieuwe kansen.’

Zo heeft Clase Turista met zijn ‘Mental Movies’, het project dat het op MAF presenteert, een nieuw literair genre uitgevonden. Het gaat om korte scenario’s die mensen op papier zetten, als antwoord op de vraag welke film ze zouden maken als ze het budget van Hollywood hadden. Op dat kortverhaal worden dan vijf illustratoren of ontwerpers en vijf rockbands losgelaten. Resultaat: vijf filmposters met een gratis soundtrack online. No capital, maximal imagination!

4. Symbolisch kapitaal: meerwaarde zonder winst

Sociaal, cultureel en financieel kapitaal heb je. Symbolisch kapitaal wordt je toegekend. Dat maakt er een veel schimmiger waarde van. Symbolisch kapitaal is de aandelenkoers van je vermogen: het aanzien dat je geniet. Zo is een medaille op de Olympische Spelen meer waard dan één op een doordeweekse atletiekmeeting, zelfs al wordt ze daar gehaald in een snellere tijd. Wie presenteert op Studio Brussel staat hoger in aanzien dan wie presenteert op de Gentse studentenradio, zelfs als die laatste presentator het veel beter zou doen. Symbolisch kapitaal is een geloof. Een geloof in iemands verdienste en kwaliteit binnen een specifiek veld.

In het dansveld is Let’s Go Urban, drie jaar geleden opgericht door Sihame El Kaouakibi, een interessante casus. De Belgische Urban Culture organisatie voor ‘urban dance, urban sports, urban music, urban choire en urban media’, met al twee dansproducties op het actief, is wat Bourdieu een ‘nieuwkomer’ zou noemen: in de schaduw van traditionele spelers als het Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de vele andere gesubsidieerde dansgezelschappen heeft Let’s Go Urban zich snel ontwikkeld tot een organisatie met grote uitstraling bij stedelijke jongeren. ‘Ons sterke symbolische kapitaal bij jongeren berust in de eerste plaats op onze flexibiliteit’, aldus El Kaouakibi. ‘Alles wat we doen, sluit nauw aan op hun werkelijkheid. We spelen in op wat er leeft, en op de snelle demografische tendensen in elke grootstad. Onze belangrijkste troeven daarbij zijn authenticiteit en kwaliteit. Wij blijven de ‘urban soul’ trouw, leggen de lat hoog en schatten jongeren naar waarde. Zij voelen dat we hen serieus nemen. Ons aanbod biedt hen ook echt een perspectief, wij geloven in doorstroming. Let’s Go Urban wérkt.’

Let’s Go Urban is een kwaliteitslabel

Zo is Let’s Go Urban in geen tijd geëvolueerd van pionier naar uithangbord van de meer georganiseerde urban scene. ‘Er zijn nog initiatieven rond slam, spoken word en urban in het algemeen, maar daar lijkt men soms terug te keren naar het eerder traditionele vocabularium van ‘de straat’. Let’s Go Urban is een kwaliteitslabel. Al gaat het voor ons allemaal erg snel en hebben we nog veel te leren, we zijn een organisatie met visie, financiële professionaliteit en een totaalconcept van proces naar product. Dat maakt van Let’s Go Urban momenteel de enige mogelijke partner voor de oprichting van een urban center in Antwerpen.’ Voor dat laatste project heeft El Kaouakibi twee jaar geleden al een plan uitgetekend. In aanloop naar de verkiezingen werd het hier en daar ook opgepikt door politici. Dat illustreert dat Let’s Go Urban – zeker sinds El Kaouakibi in 2011 verkozen werd tot Antwerpenaar van het jaar en de voorstelling Cinderella twee weken op de Zomer Van Antwerpen stond – in de Scheldestad aan symbolisch kapitaal wint.

Sociaal, cultureel en (een deel) financieel kapitaal: Let’s Go Urban heeft het allemaal. Maar binnen het dansveld dat door de Vlaamse overheid wordt afgelijnd, is het nog geen speler van betekenis, nog geen speler met veel symbolisch kapitaal. Zelfs de Vlaamse Cultuurprijs voor Amateurkunsten heeft daar weinig aan verholpen. Als Wim Vandekeybus, Alain Platel, Meg Stuart of Anne Teresa De Keersmaeker Let’s Go Urban al zouden kennen, zijn er weinig signalen dat ze zich er ook voor interesseren. Bij de bevoegde subsidiecommissie, de kunsten- en de meeste cultuurcentra geldt eenzelfde onwetendheid, of misschien zelfs desinteresse. Programmeurs en artistiek leiders zoeken zich de pleuris naar het nieuwste talent, maar de lokale urban arts worden allesbehalve als een mogelijke nieuwe avant-garde ingeschat. ‘Vernieuwing’, ‘internationaal’, ‘multidisciplinair’, ‘jong’: het zijn de sleutelwaarden van het hedendaagse kunstenveld, maar dat blijkt niet te betekenen dat alle jonge spelers die vernieuwend werken, multidisciplinair denken en in zekere mate ‘internationaal’ samengesteld zijn, op hetzelfde symbolische kapitaal mogen rekenen. Hoe komt dat?

‘Voor een deel bouwt symbolisch kapitaal natuurlijk op een historische verdienste, terwijl wij nog maar pas onze neus aan het venster steken’, zo weet El Kaouakibi. ‘Maar het gaat in deze kwestie niet enkel om ons ‘gebrek’. Er is ook een gebrek bij de grote kunstenhuizen die over symbolisch kapitaal beschikken. Men beseft niet hoe groot, innovatief en snel we zijn. De cultuursector vindt het onbekende angstaanjagend. Soms voelt het bijna absurd dat we over ‘de hedendaagse kunsten’ spreken, als je bij velen het conservatisme ziet. Wij zijn het antwoord op wat ze zoeken, maar ze durven ons nog niet aan boord halen. Die terughoudende reflex heeft natuurlijk ook met verschillende waarden te maken. Wij maken kunst die direct wil raken, die niet te abstract is. Het is kunst voor een breed publiek, het publiek anno 2012. Wij combineren ook het artistieke met het commerciële. Daar is nog weinig openheid voor.’

El Kaouakibi wil echter niet overhaasten. ‘Voor subsidies mogelijk worden, moeten wij eerst onze strepen verdienen. We hebben de laatste drie jaar snel aan inzicht en doorzicht gewonnen, maar alles gebeurt nog met vallen en opstaan. Zeker productioneel moeten we nog vooruitgang boeken, en met beide voeten op de grond blijven. Met wie we ook samenwerken: we willen kwaliteit bieden. Perfectionisme zit ons in het bloed, het publiek verdient het beste. Wat wij te bieden hebben, is een andere bril, een andere danskwaliteit ook. Uitwisseling zou daarom echt interessant zijn. Ik zie nog veel win-winmogelijkheden.’

Eén zo’n meerwaarde van uitwisseling met het artistieke veld is precies symbolisch kapitaal. Dat heeft El Kaouakibi gemerkt bij de samenwerking met de Vlaamse Opera, voor de eerste jongerenproductie van Let’s Go Urban, Is it Love?. Plots kregen zij meer aandacht bij pers, cultuurveld en kunstenpubliek. ‘Voor een stuk moeten we daar in de toekomst dus strategisch in denken: met wie werk je samen? Maar dan wil ik altijd vertrekken van onze eigen competenties, niet van andermans symbolisch kapitaal. Ik wil bijvoorbeeld liever met Sidi Larbi Cherkoui samenwerken voor zijn artistieke meerwaarde als choreograaf, dan voor zijn aanzien. Dat moet gewoon langzaam groeien, en dat zie je ook gebeuren. Voor de ambtenaren die met kunst bezig zijn, is urban nog steeds straatcultuur, die ze niet willen institutionaliseren. Ik noem dat een uitvlucht, onwetendheid. De profilering van urban moet overgelaten worden aan ervaringsdeskundigen. Bij de politiek voel je echter wel een oprechte interesse. De reden is heel simpel: wij boeken resultaten.’

Op MAF gaat Let’s Go Urban in première met zijn tweede jongerenproductie met de Vlaamse Opera: Shakespeare in Love. ‘Het is een creatie over het leven van William Shakespeare, onder meer naar de film. Eindigen doen we met het schrijven van Romeo en Juliet.’ Als cultureel kapitaal kan dat tellen. En het symbolisch kapitaal bij de cultuursector zal wel volgen, ooit. Niet alleen omdat Let’s Go Urban nog veel groeimarge heeft als het aankomt op boeiende artistieke ensceneringen voor al zijn technische hoogstaande danstalent. Ook omdat de waarden die vandaag voor symbolisch kapitaal zorgen binnen de Vlaamse podiumkunsten, in onze snel veranderende steden niet eeuwig houdbaar zullen blijken. Zelf ligt Sihame El Kaouakibi er niet echt wakker van. ‘Het belangrijkste is ons symbolisch kapitaal bij de mensen, jong en oud. Dat is waar het ons om draait.’

En zo zijn we terug bij het begin. Kapitaal is uitgaan van je eigen sterkte. Een verhaal over mogelijke winst, niet over eeuwige gebreken.

Wouter Hillaert is podiumrecensent bij De Standaard en –redacteur bij rekto:verso

Laat een bericht achter